De Evangeliën vergelijken
Een andere manier waarop wij dezelfde conclusie kunnen vinden, over welk einde van welk tijdperk, Jezus aan het praten was, is door het vergelijken van de verschillende Bijbelteksten. We weten dat Mattheüs 24 correspondeert met andere verzen uit de andere evangeliën:

“Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken van Uw komst en van het EINDE - του αιωνος (=tou aiõnos =VAN HET TIJDPERK)?" (Mattheüs 24:3b, uit de Herziene Statenvertaling, met aanpassing van de Griekse grondtekst)

“Meester, wanneer zal dat dan zijn en wat is het teken dat DEZE DINGEN zullen gebeuren?” (Lucas 21:7b, uit de Herziene Statenvertaling)

“Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken wanneer AL DEZE DINGEN in vervulling zullen gaan?” (Marcus 13:4, uit de Herziene Statenvertaling)

Wanneer wij deze teksten één met de ander vergelijken, zien wij dat de discipelen begrepen dat deze gebeurtenissen allemaal op het zelfde tijdstip zouden gebeuren. “Zijn komst (1) en “het einde van het tijdperk (2) zijn beide opgeschreven als “AL DEZE DINGEN” in Marcus 13:4. Zij zagen geen groots tijdsverschil tussen die twee! Maar zagen deze dingen als één enkele gebeurtenis.

Wanneer Mattheüs de vragen opschrijft zegt hij: “Wanneer zullen deze dingen gebeuren?” (Mattheüs 24:3b en dit is gelijk aan Marcus 13:4), het refereert ook aan de destructie of vernietiging van de tempel. “Voorwaar, Ik zeg u: hier zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden.” (Mattheüs 24:1-2; Marcus 13:1-3, uit de Herziene Statenvertaling). Dus het teken van Zijn komst, en het eind van het tijdperk (=eeuw, in de Voorhoeve, NT 4e druk, en de Synodale vertaling van het NT 1886) is hetzelfde als “deze dingen” en het refereert aan de vernietiging van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus. De discipelen begrepen dat als de tempel vernietigd was, ook heel Jeruzalem en heel het natuurlijk volk zou op uitermate beschadigd zijn. Met de destructie of vernietiging van de tempel verbonden zij de komst van de Messias en het eind van het tijdperk (=eeuw, in de Voorhoeve, NT 4e druk, en de Synodale vertaling van het NT uit 1886)

Op deze plek in dit artikel of boekje gaan we door met uitleggen over het eind van het tijdperk (of de eeuw Voorhoeve, NT 4e druk, en Synodale vertaling v/h NT, 1886), daarna zullen wij schrijven over de komst, dat voor u al duidelijk is dat het niet de Tweede Komst betreft. We hebben namelijk al geschreven dat we geloven in de Tweede Lichamelijke Komst van Christus. Dus er valt geen andere conclusie trekken dan dat we spreken over een andere komst, één die niet lichamelijk is, maar het is een Oordeelskomst, waarvan het Nieuwe Testament spreekt. Hiermee, betekent het dus dat er meer oordeelskomsten zullen komen, maar deze zijn niet expliciet opgeschreven in het Nieuwe Testament. Deze was wel opgeschreven als een oordeelskomst. En als u het al direct wil lezen kunt u deze link gebruiken.

Het einde van het tijdperk is verbonden met de Oordeelskomst, dit is het tijdperk waarin Jeruzalem de tweede belangrijkste stad van het Romeinse Rijk was (Mattheüs 24:1-2, Johannes 4:21). Het was zelfs zo dat Jeruzalem zo verbonden was door de invloed van de joden in het hele rijk dat men kon spreken van het Romeinsjoodse Rijk. Maar deze komst is het eind aan alle trots en autonomie van het volk van Israël (Daniël 9:2, 6-7, 11-27).

Dit betekent dat het natuurlijk volk Israël zijn titel verloor in deze eeuw als het uitverkoren volk van God, of zoals men leest in de Bijbel, het koninkrijk werd van hen weggenomen (Mattheüs 21:43). Dit betekent dat er geen SPECIAAL plan is voor de joden, maar één plan, dat wij allen gered moeten worden in Cristus Jezus (Galaten 3:26-29).

Onmiddelijk citeren velen Romeinen 11:1. Laten wij dit vers in zijn geheel en niet tot halverwege lezen:

“Ik [Paulus] zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet! Ik [Paulus] ben immers ook een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam van Benjamin.”

Vraag uzelf dan af: Hoe was Paulus niet verstoten? Omdat hij Jezus kende en op die wijze de Heilige Geest kon werken met hem, al hoe wel, vele andere joden waren verstoten door God en door Zijn Kerk door het afwijzen van Jezus. De context blijft spreken, en spreekt over dat zij uitverkozen worden door genade (Romeinen 11:5). En vers 6 zegt dat het niet is: “door werken.” Wie heeft het werk betaald dan? Jezus.

Het eind van de eeuw (Daniël 9:24-27); sluit zich af met de afwijzing van het evangelie door het Sanhedrin met de dood van Stefanus (Handelingen 6-7, drie en half jaar na de dood van Jezus Christus aan het kruis van Gogotha), en het resultaat van dit besluit is de destructie van de tempel (Daniël 9:26-27) hetgeen waar Jezus over spreekt in Mattheüs 23 en 24.

Om u met meer kracht te tonen dat de destructie van Jeruzalem zo dichtbij was, en Jezus zei dat de tijd nabij was, die van 70 na Christus, en dus niet die van vandaag, willen wij u nog een paar teksten citeren:

“En toen Hij dichtbij kwam en de stad zag, weende Hij over haar. Hij zei: Och, of u ook nog op deze uw dag zou erkennen, wat tot uw vrede dient. Nu echter is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen, u zullen omsingelen en u van alle kanten in het nauw zullen brengen. En zij zullen u met de grond gelijk maken en uw kinderen in u verpletteren. Ook zullen zij in u geen steen op de andere steen laten, omdat u het tijdstip waarop God naar u omzag, niet hebt onderkend.” (Lucas 19:41-44, uit de Herziene Statenvertaling.)

Dit alles zei Jezus tegen zijn toehoorders in het voorjaar van 30 na Christus. Dit alles is vervuld door middel van het woord van de keizer Nero die zijn generaal Vespesianus stuurde die zijn zoon Titus nam om het werk van destructie over Jeruzalem af te maken (67,5-70 na Chr.).

“En toen sommigen over de tempel zeiden dat hij met prachtige stenen en aan God gewijde geschenken versierd was, zei Hij: Wat betreft deze dingen waarnaar u kijkt: Er zullen dagen komen waarin niet één steen op de andere steen gelaten zal worden die niet afgebroken zal worden.” (Lucas 21:5-6, uit de Herziene Statenvertaling.)

“Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden [Jezus wist van de vernietiging van de tempel in Jeruzalem die zou komen, een destructie die aanhoudt tot vandaag de dag]… Maar de tijd komt en is nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid; want de Vader zoekt immers wie Hem zo aanbidden.” (Johannes 4:21, 23-24, uit de Herziene Statenvertaling.)

“En toen Hij uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tegen Hem: Meester, kijk, wat een stenen en wat een gebouwen! En Jezus antwoordde hem: Ziet u deze grote gebouwen? Er zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden. En toen Hij op de Olijfberg zat, TEGENOVER DE TEMPEL, vroegen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas Hem toen zij alleen waren: Zeg ons, wanneer zullen DEZE DINGEN gebeuren? En wat is het teken wanneer AL DEZE DINGEN [de destructie van heel Jeruzalem, waar de regeringszetel in de tempel en al zijn gebouwen was] in vervulling zullen gaan?” (Marcus 13:1-4, uit de Herziene Statenvertaling.)

Het eind van de wereld dat is in het Grieks het einde van het tijdperk of van de eeuw. Het betreft dus niet het eind van de wereld, als het eind van de aardbol of het eind van de planeet zoals velen verkeerd hebben begrepen vanuit verschillende incorrecte vertalingen van de Bijbel, in dit geval zoals de King James vertaling, de Statenvertaling, de NBG 1951 vertaling en de Herziene Statenvertaling het verkeerd vertalen.






 
Kingdom Movement Nederland 2008 - 2015 Kingdommovement